Pagina's

Posts tonen met het label griezel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label griezel. Alle posts tonen

zaterdag 10 augustus 2013

Duivels

Duivels

Het is nu 5 jaar geleden. Ik was 9. Precies een leeftijd waar je nog niet echt iets meemaakt. Tenminste, elk normaal kind. En natuurlijk was ik geen normaal kind, tenminste, tot toen was ik redelijk normaal...
Het was middag. Ik was aan het spelen in de speeltuin een stukje bij mijn huis vandaan. Ik zat op de schommel toen die vrouw langs kwam. Ik maakte de grootste fout in mijn leven. De vrouw liep langs de schommel waar ik op zat. Plotseling liet ze haar boodschappen vallen. Ik was opgevoed dus raapte ik de spullen voor haar op. Ze bedankte me uitbundig en ze vroeg of ik even mee kon lopen met de boodschappen omdat ze bang was dat ze ze anders nog een keer liet vallen. Ik twijfelde in eerst instantie omdat mij geleerd was om niet met vreemde mensen om te gaan. Ze leek me normaal dus ik stemde toe en liep mee met de boodschappe  in mijn hand.
Toen we haar huis bereikten pakte de oude vrouw de sleutel uit haar handtas en ik zag een tatoeage boven haar shirt uitsteken. Het leek in ieder geval op een tatoeage. Ik zag net een streepje en een rondje. Het leek op een 6. Ik dacht na. Waar had ik die 6 tatoeage al eerder gezien. Ik moest hem helemaal zien om het me te herinneren dus besloot ik mee naar binnen te lopen. Ze gaf me een rolletje karamelsnoepjes en toen viel mijn oog op een deurklink in een schilderij. Op de klink zag ik een tekentje staan. Ik liep erheen en keek wat het voor tekentje was. Drie zesjes in een soort cirkeltje. Ik begon een vermoeden te krijgen en kwam tot de conclusie dat ik het huis zo snel mogelijk moest verlaten.
'Wat doe jij daar?' Het was een hoge, duivelse en schrille stem. Duivel? Daar was het tekentje dus van. Natuurlijk! Drie zessen. Het duivelsgetal! Ik draaide me om en achter me stond de oude vrouw. Haar ogen waren rood geworden en leken te branden. 'Nu jij mijn geheim hebt ontdekt, zal je moeten sterven,' schreeuwde de vrouw. Ze trok me mee door de deur en we liepen een lange, stoffige trap af. Langs de muur hingen kaarsen met hetzelfde teken erop en duivelse schilderijen.
We kwamen in een grote kamer. Hij was griezelig verlicht en overal stonden poppen. Nadat mijn ogen gewend waren aan het licht zag ik dat het wassen beelden waren. Toen schrok ik me dood...
Daar stond een beeld van mijn broertje. Hij was al enkele dagen vermist. 'Waarom heb je een beeld van mijn broertje?!' riep ik woest. 'Nee hoor, het ís je broertje. Al deze beelden zijn de vermiste mensen. Waldemar Pol, hielp met boodschappen. Paula Kok, hielp met booschappen. Je broertje, hielp met boodschappen. En nu kom jij er gezellig naast staan! Net zoals je verdorven familie. Alleen zo kon ik wraak nemen. Nu zullen jullie allemaal sterven. Slechts één van ons kan voortleven. Jij bent de uitverkorene van jouw familie en ik die van de familie Karlington. En wel Lucius. Mijn voorgaande die bezeten was. Zodra ik je heb behandeld, zal ik onsterfelijk worden! De tijd is aangebroken. Ik kan niet langer wachten!' De vrouw lachtte schril. Ze bond me vast op een tafel en pakte een lepel. Ze ging naast me staan en hield de lepel aan de zijkant van mijn oogkas. Toen stak ze hem naar beneden. Ik gilde. Ik voelde alleen maar pijn en kon nergens meer aan denken. Ze lepelde zo mijn oog eruit en bloed sijpelde langs mijn wang. Ik hoorde enkele kraakjes en ik zag met mijn overgebleven oog dat ze hem opat. Toen lepelde ze ook mijn andere oog eruit. Ik voelde een ondragelijke pijn.
Toen legde ze mijn benen in een koker. Ze begon met draaien en ik voelde het tafelblad in beweging komen. Ik gilde weer. Een ondragelijke pijn. Ik wilde sterven maar ik voelde alleen maar pijn. Mijn hele been werd gemalen en het vlees viel zo in een ton.
Geweerschoten. Zwaailichten. Ik werd wakker in het ziekenhuis. Mijn benen hebben ze niet kunnen redden. Mijn ogen ook niet. De vrouw is dood. Godzij dank is mijn broertje genezen door een monnik die de tegenbezwering kent.

Naschrift
Ik waarschuw jullie, er lopen zo veel gekken rond. Nou is dit wel overdreven maar als nog. Ga nooit met onbekenden mee. En als ze je meetrekken? Gil, bijt, sla, schop, schreeuw om hulp.

woensdag 5 juni 2013

Stilte


Stilte
10 uur ’s avonds. Ik was mijn tas aan het inpakken. ‘Wiskunde, Biologie…’ mompelde ik in mezelf. En toen begon het…
Geritsel, een sluitende deur. Ik keek door het raam naar buiten. Mijn vader liep weg. Waar ging hij heen, vroeg ik mezelf af. Hij ging vast weer een rondje lopen.
Maar een paar dagen later liep mijn vader alweer om 10 uur ’s avonds weg. Ik besloot hem te volgen. Hij liep de straat uit en sloeg rechtsaf. Ik volgde hem. Opeens stond ik op een takje. Ik dook de bosjes in. Mijn vader keek om. Ik probeerde mijn adem in te houden. Toen hoorde ik mijn vader weglopen. Ik kwam uit de bosjes en keek om me heen. Hij was verdwenen… Ik besloot in de richting te lopen waar ik hem voor het laatst had gezien. Ik liep voorbij de plek waar hij stond en keek rond. Niets te bekennen, alleen bosjes die zacht ruisde door de wind. Het volgende moment werd ik vastgegrepen. Ik probeerde me hevig los te wurmen. Het lukte niet. ‘Waarom volg je mij?’ zei de stem. De stem klonk dreigend. Ik besefte me wie het was! ‘Je wilt zeker weten wat ik doe? Nou kom maar mee. Handig dat je meewil’, grinnikte mijn vader. We liepen verder. Ik was bang. Waarom was het goed dat ik hem volgde? Waar gaat hij heen? Is dit onderdeel van een plan? Vragen spookten door mijn hoofd. Mijn vader neuriede. Hij genoot ervan. Het was een griezelig geheel.
We bereikten een gebouw. Het leek net een bunker. Mijn vader liep naar binnen, ik hoorde mensen. Ze praatten rustig. We liepen een kamer in en mijn vader zette me neer. De kamer was leeg, op enkele spinneraggen na.
Plotseling hoorde ik een verschrikkelijke gil. Toen was er een doodse stilte. Er ging een zaag aan. Nog een gil, weer een stilte.
Toen kwam een man binnen. Hij zei dat ik moest meekomen. Ik was bang. Zo bang was ik nog nooit geweest. Ik kwam in een grote zaal. Ik zag overal bloed. Het kostte me moeite niet huilend weg te rennen. Ik moest op een tafel liggen. Ik gilde en stribbelde tegen. Ik viel flauw.
Toen ik bijkwam lag ik op een tafel, vastgebonden. Een onbekende man legde mij uit dat ik dit moest ondergaan. Het was voor een onderzoek. De man zei mij dat het geen pijn zou doen. Ik lag daar, doodsbang, niet wetend wat er zou gebeuren. Ik keek om me heen, zonder te beseffen dat het misschien wel het laatste zou zijn wat ik zou zien.
De man pakte een vork. Het was een vork met een lang handvat en scherpe punten. Er zat bloed op. De man ging bij mijn hoofd staan en hief de vork op…
Ik gilde. Alles in mijn hoofd deed pijn. Bloed voelde ik langs mijn hoofd lopen. Ik opende mijn ogen. Een massa bloed stroomde langs mijn wang. Ik kon nog maar door één oog kijken, de andere deed pijn. Mijn vinger gleed naar mijn oog. Ik voelde bloed. Voor de rest niks. Ik kon met mijn vinger helemaal mijn oogkas in… Mijn oog was weg! De man beveelde mij mijn mond open te doen. Met mijn overgebleven oog zag ik de vork met mijn oog erop. Ik opende mijn mond. Hij beveelde me mijn oog op te eten. Ik at hem helemaal op. Ik hoorde kraakjes en bloed sijpelde langs mijn lippen. Zoiets vies had ik nog nooit gegeten. Ik dacht dat ik hier nooit meer levend vandaan zou komen.
Ik schrok wakker. Ik keek op de klok. 10 uur ’s avonds. Ik hoorde geritsel en een sluitende deur…