Stilte
10 uur ’s avonds.
Ik was mijn tas aan het inpakken. ‘Wiskunde, Biologie…’ mompelde ik in mezelf.
En toen begon het…
Geritsel, een
sluitende deur. Ik keek door het raam naar buiten. Mijn vader liep weg. Waar
ging hij heen, vroeg ik mezelf af. Hij ging vast weer een rondje lopen.
Maar een paar
dagen later liep mijn vader alweer om 10 uur ’s avonds weg. Ik besloot hem te
volgen. Hij liep de straat uit en sloeg rechtsaf. Ik volgde hem. Opeens stond
ik op een takje. Ik dook de bosjes in. Mijn vader keek om. Ik probeerde mijn
adem in te houden. Toen hoorde ik mijn vader weglopen. Ik kwam uit de bosjes en
keek om me heen. Hij was verdwenen… Ik besloot in de richting te lopen waar ik
hem voor het laatst had gezien. Ik liep voorbij de plek waar hij stond en keek
rond. Niets te bekennen, alleen bosjes die zacht ruisde door de wind. Het
volgende moment werd ik vastgegrepen. Ik probeerde me hevig los te wurmen. Het
lukte niet. ‘Waarom volg je mij?’ zei de stem. De stem klonk dreigend. Ik
besefte me wie het was! ‘Je wilt zeker weten wat ik doe? Nou kom maar mee.
Handig dat je meewil’, grinnikte mijn vader. We liepen verder. Ik was bang.
Waarom was het goed dat ik hem volgde? Waar gaat hij heen? Is dit onderdeel van
een plan? Vragen spookten door mijn hoofd. Mijn vader neuriede. Hij genoot
ervan. Het was een griezelig geheel.
We bereikten een
gebouw. Het leek net een bunker. Mijn vader liep naar binnen, ik hoorde mensen.
Ze praatten rustig. We liepen een kamer in en mijn vader zette me neer. De
kamer was leeg, op enkele spinneraggen na.
Plotseling hoorde
ik een verschrikkelijke gil. Toen was er een doodse stilte. Er ging een zaag
aan. Nog een gil, weer een stilte.
Toen kwam een man
binnen. Hij zei dat ik moest meekomen. Ik was bang. Zo bang was ik nog nooit
geweest. Ik kwam in een grote zaal. Ik zag overal bloed. Het kostte me moeite
niet huilend weg te rennen. Ik moest op een tafel liggen. Ik gilde en
stribbelde tegen. Ik viel flauw.
Toen ik bijkwam
lag ik op een tafel, vastgebonden. Een onbekende man legde mij uit dat ik dit
moest ondergaan. Het was voor een onderzoek. De man zei mij dat het geen pijn
zou doen. Ik lag daar, doodsbang, niet wetend wat er zou gebeuren. Ik keek om
me heen, zonder te beseffen dat het misschien wel het laatste zou zijn wat ik
zou zien.
De man pakte een
vork. Het was een vork met een lang handvat en scherpe punten. Er zat bloed op.
De man ging bij mijn hoofd staan en hief de vork op…
Ik gilde. Alles
in mijn hoofd deed pijn. Bloed voelde ik langs mijn hoofd lopen. Ik opende mijn
ogen. Een massa bloed stroomde langs mijn wang. Ik kon nog maar door één oog
kijken, de andere deed pijn. Mijn vinger gleed naar mijn oog. Ik voelde bloed.
Voor de rest niks. Ik kon met mijn vinger helemaal mijn oogkas in… Mijn oog was
weg! De man beveelde mij mijn mond open te doen. Met mijn overgebleven oog zag
ik de vork met mijn oog erop. Ik opende mijn mond. Hij beveelde me mijn oog op
te eten. Ik at hem helemaal op. Ik hoorde kraakjes en bloed sijpelde langs mijn
lippen. Zoiets vies had ik nog nooit gegeten. Ik dacht dat ik hier nooit meer
levend vandaan zou komen.
Ik schrok wakker.
Ik keek op de klok. 10 uur ’s avonds. Ik hoorde geritsel en een sluitende deur…
Geen opmerkingen:
Een reactie posten